Gedichten Pasen
paaskaarsjes
Wanneer vele paaskaarsjes branden,
is dat een prachtig gezicht.
Want dan zie je iedereen,
als in een zee van licht.
Ik denk dan stiekem bij mezelf,
zo moest het altijd zijn:
Een zee van licht waar je ook gaat,
en nergens donkere pijn.
Het licht van Jezus in de straat,
op school, op elk plein.
In alle steden, klein en groot,
Zou het dan vrede zijn!
De grote vraag dus, waar het om gaat,
ontwijken heeft geen zin,
hoe krijgen we dit zuivere licht,
de hele wereld in?
Hoe wandelt het naar stad en land,
naar mensen groot en klein.
Hoe wandelt het de huizen in,
om er voorgoed te zijn?
Ik heb er over nagedacht,
en heb mijn antwoord klaar,
Het licht komt er door jou en mij,
wij zijn die wandelaar.
De Paaskaars brandt,
Het licht van Pasen schijnt.
Het is aan ons te zorgen dat,
Dit licht nooit meer verdwijnt.
Het was nog vroeg in de morgen;
geen enkel mens was al ontwaakt,
toen ´t lichaam, in het graf geborgen
door God Zelf werd aangeraakt.
Als Maria zoek ik U op plaatsen
waar de dood zijn sporen liet.
Moedeloos van het vele haasten,
mijn ogen wazig van verdriet.
Totdat U Uw hemels licht zend
en mij de boodschap doet verstaan:
dat U mijn Heer en Meester bent,
Die uit de dood is opgestaan.
Vandaag zal ík moeten sterven
tot in het diepst van mijn bestaan,
om ‘t nieuwe leven te verwerven
en met Jezus op te staan
Want als U zich tot mij richt
en mijn hart voor U ontwaakt,
begint het nieuwe leven als ik
door God Zelf wordt aangeraakt.

